Blog

REBEL, REBEL

Geplaatst op 10 maart 2020

Leuk nieuws! Mijn verhaal Pleziertje is, samen met het werk van tien andere jonge auteurs, opgenomen in de bundel Rebel, rebel, die in het kader van de Boekenweek 2020 verscheen bij Uitgeverij Prometheus. Lees hier meer over het boek.

STUKJE: EGODOCUMENT

Geplaatst op 9 augustus 2019

Het is 3 augustus 1759 als François Fagel, een welgestelde regent, van Den Haag naar Antwerpen reist. Fagel is op dat moment negentien jaar oud – de perfecte leeftijd voor een zogenoemde Grand Tour, de studiereis die jongens uit gegoede families in die tijd afleggen. De tocht naar Antwerpen, in een ‘mauvais yacht’ is het begin van een onderneming die maar liefst twee jaar duurt: Fagel doet verschillende landen aan, zoals Frankrijk, Zwitserland, en het hoogtepunt van iedere ‘Groote Tour’, Italië.

Voor mijn masterscriptie buig ik me over het reisdagboek dat Fagel heeft bijgehouden: waarbenjij.nu avant la lettre. De beschrijvingen van de reis zijn vooral erg keurig, afstandelijk. Op de irritaties over insecten en slechte wegen na heb ik, zelfs na 200 pagina’s Fagel, geen idee van de mens achter de brave notities over kathedralen, adellijke families en opera’s. Tot mijn spijt zelfs  geen woord over de beruchte Venetiaanse travestieten, die erom bekend stonden flink misbruik te maken van jongens zoals hij.

Hoe anders zijn mijn eigen egodocumenten. In de krochten van mijn Hotmail-account vond ik de emails die ik in 2011 stuurde vanuit Krefeld, Duitsland, waar ik op dat moment meedeed aan een uitwisseling. Ik was vijftien, maar niet op de manier zoals de andere meiden dat waren: waar zij hun vrouwelijkheid al flink uitbuitten, wist ik niet zo goed wat ik ermee moest. Mijn veranderende lichaam verborg ik in longsleeves en degelijke, witte t-shirtbh’s. In de emails die ik tijdens de uitwisseling stuurde aan het thuisfront lees ik, tussen de regels door, vooral mijn ongemak:

‘Mijn uitwisselingsstudente had me opgemaakt, en ik leek op een Barbie. Maar iedereen zei dat het mooi was, een iemand zei ook dat het beter was dan eerst ofzo.’

Of, toen mijn uitwisselingsstudente besloot me mee te nemen naar haar scharrel:

‘Ze wilde toen een vriend van haar bezoeken. In Duitsland zijn vrienden heel close met elkaar, ze lopen constant te knuffelen en stoeien etc. Dat waren die twee ook aan het doen, dus ik voelde me een beetje buitengesloten’

Reizen is voor een groot deel de schijn ophouden: het liefst wilde ik natuurlijk gewoon naar huis, maar dat uitspreken, ho maar. Het zijn de gesmoorde kreetjes om hulp die mijn reisverslag van toen nu zo pijnlijk maken. Fagel is beheerster dan ik – hij wist beter. Zo’n verontrustend reisverslag, dat doe je de thuisblijvers niet aan.

MONOLOOG UIT TONEELSTUK: NADER TOT JOU

Geplaatst op 6 augustus 2019

Op 7 juni 2018 voerde de toneelgroep van Studievereniging Helios het toneelstuk ‘Nader tot jou’ op, dat ik heb geschreven. Het stuk gaat over twee heel verschillende schrijverskoppels: Gerard Reve en zijn Hanny Michaelis, en Heleen van Royen en haar man Ton.  Uit deze raamvertelling spraken verschillende thema’s: homoseksualiteit, keuzevrijheid, schrijverschap en relatieproblematiek.

Ik deel bij dezen graag een (deel van) een monoloog met jullie, gebracht door het personage Hanny.

Ik ontmoette hem bij mij op de uitgeverij, bij Meulenhoff toen ter tijds, waar ik als secretaresse werkte. Charmant leek Gerard me absoluut niet – we maakten een praatje, maar hij gedroeg zich tamelijk arrogant. Hij zei: “Ik publiceer bij de Bezige Bij, waar publiceer jij?” Nergens dus.

Uit de verte herkende ik hem al van het Vossius, waar hij als jongetje met een loden jas, een gezicht vol pukkels en een stuurse blik over de binnenplaats liep. Later vertelde hij me dat hij aangetrokken werd door mijn melancholische gezichtsuitdrukking. Ik viel voor zijn humor en knappe verschijning – de pukkels waren inmiddels wel weggetrokken. Of hij me nog steeds zo aantrekkelijk vindt, betwijfel ik soms weleens. Gerard is klinisch. We doen het wel, daar niet van, maar het gaat vaak niet van harte. ‘Maak het onderlijf maar bloot,’ zegt hij dan.

Misschien ben ik te naïef geweest, toen in ’47. Ik raakte te snel verslingerd aan Gerard en zijn rare trekjes: nooit had ik een man zo dichtbij laten komen. Ik was als de dood voor seks. Ik stond helemaal alleen – mijn ouders zijn vergast in de oorlog. Die van Gerard leefden nog, misschien dat die stabiliteit voor mij meespeelde.

Gerard is geen makkelijke man. Mijn moeder had hem kil en cynisch gevonden, dat weet ik wel zeker. Domme Hanny noemt hij me vaak. ‘Hanny wil liever dom blijven,’ zegt hij, als ik vertel over mijn poëzie, die hij bourgeois-gelul noemt. Een vrouwenbeul is hij niet, absoluut niet – de man heeft me nooit mentaal of fysiek pijn willen doen. Het gaat mij om die eeuwige teleurstelling: Gerard heeft mijn optimisme kapot gemaakt.